Het ruime sop

Cover najaar 2016 | Desipientia kunsthistorisch tijdschrift

Het ruime sop
Jaargang 23, nr. 2.

Marines en zeeheldenportretten uit de Gouden Eeuw

Als het gaat over de schilderkunst uit de bloeiperiode van de Nederlandse Republiek, de Gouden Eeuw, dan komen bekende schilders als Frans Hals, Rembrandt van Rijn en Johannes Vermeer vaak ter sprake. Naast deze schilders, die zich voornamelijk toelegden op de historie- en genre schilderkunst en portretten, kwam vanaf het einde van de zestiende eeuw een typisch Hollands genre tot ontwikkeling: de marine, ook wel zeegezicht of zeestuk. Binnen dit genre zijn er heel wat thema’s, waaronder zeeslagen, schepen in een storm, schipbreuken, scheepsportretten en havengezichten. In het themagedeelte van deze editie van Desipientia aandacht voor enkele belangrijke marineschilders en hun werken en werkwijzen. Daarnaast kunt u lezen over de marine als beroepstak ten tijde van de Republiek en de belangrijke rol die zeehelden en hun portretten speelden bij de beeldvorming van het volk.

Uit de artikelen komt naar voren hoe marineschilders zichzelf als kunstenaar op de kaart probeerden te zetten in steden als Haarlem en Amsterdam, waar de kunstmarkt in de zeventiende eeuw fors groeide. Zo geeft Ron Brand in zijn artikel inzicht in de manier waarop concurrenten Hendrick Cornelisz. Vroom en Cornelis Claesz. van Wieringen zich van elkaar probeerden te onderscheiden doormiddel van verschillende weergaves van scheepsvlaggen. Marineschilders specialiseerden zich echter niet alleen aan de hand van dergelijke details. Jan Ambrahamsz. Beerstraten, die centraal staat in het artikel van Lex Bronkhorst, wist zich te onderscheiden met zogenoemde mediterrane capricciohavens. Bovendien richtte hij zich op een potentiële groep kopers met een bepaald budget. Willem van de Velde de Oude en Willem van de Velde de Jonge, twee hele bekende marineschilders uit de zeventiende eeuw, en een aantal van hun werken worden beschreven door Remmelt Daalder. Hij geeft weer hoe vader en zoon eerst gezamenlijk werken, waarna Willem van de Velde de Jonge zich steeds verder onderscheidt als een marineschilder met een eigen stijl.

Marines werden in allerlei soorten en maten gemaakt, dan wel dan niet in opdracht voor mensen uit allerlei klassen van de maatschappij en vervulden verschillende functies. Hetzelfde geldt ook voor overgeleverde zeeheldenportretten. In haar artikel bespreekt Laurien Souren de bijzondere positie die zeehelden innamen in zowel de marine als de maatschappij, op lokaal en nationaal niveau. De zeeheldenportretten kwamen op allerlei manieren tot stand; ze werden zowel in opdracht van de overheid, familie of collega-schippers gemaakt, waarbij de ideeën van de geportretteerde of de schilder soms wel en andere keren niet bepalend was. Wat de interesse voor marines en zeeheldenportretten in het algemeen laat zien is het belang van de scheepvaart voor de nationale gevoelens van verbondenheid en trots in de Gouden Eeuw.

In het gedeelte ‘Nijmeegs Onderzoek’ wederom een aantal artikelen van (afgestudeerde) kunstgeschiedenisstudenten van de Radboud Universiteit. Bram Kuppens schreef zijn artikel naar aanleiding van zijn masterscriptie over een zestiende-eeuwse houtsnede, waarvan drie verschillende drukken bekend zijn. Zowel de maker als de betekenis van de houtsnede lijken niet eenduidig. Mireille Linck gaat in haar artikel dat gebaseerd is op haar Honours-onderzoek in op het geïntegreerde zelfportret in het oeuvre van Albrecht Dürer. Ter verduidelijking van dit fenomeen bij Dürer worden Zuid-Europese voorbeelden aangehaald. Tot slot richt Isabelle Bisseling zich in haar artikel op de waarneming en ervaring van de kleur blauw, waarbij ze zowel enkele belangrijke cultuurhistorische- als biologische kleurtheorieën noemt. Hoewel deze theorieën voortkomen uit verschillende wetenschapstakken kunnen ze bij de analyse van de kleur blauw samen worden genomen en elkaar versterken.

Inhoud

Ron Brand, “Vlagvertoon aan het Spaarne; Het gebruik van vlaggen door Hendrick Cornelisz. Vroom en Cornelis Claesz. van Wieringen op hun zeestukken”, pp. 6-11.

Laurien Souren, “Verfraaide zeehelden in opdracht”, pp. 12-17.

Lex Bronkhorst, “‘De Schipbreuk’ van Jan Abrahamsz. Beerstraten; Hét atelier voor betaalbare marineschilderijen in Amsterdam”, pp. 18-22.

Remmelt Daalder, ““Glorieuse Batailles”; Willem van de Velde de Jonge verovert een eigen plaats als schilder van zeestukken”, pp. 23-28.

Bram Kuppens, “Het katholieke monster; Een onderzoek naar een 16e-eeuwse reformatorische houtsnede”, pp. 29-33.

Mireille Linck, “Het geïntegreerde zelfportret in het oeuvre van Albrecht Dürer: Een unicum?”, pp. 34-38.

Isabelle Bisseling, “Blauw bekeken; De natuurlijke perceptie van de kleur blauw in culturele uitingen”, pp. 39-42.

Meer