Jheronimus Bosch

Jheronimus Bosch | Desipientia

Jheronimus Bosch
Jaargang 8, nr. 2.

Jheronimus Bosch

Er zijn weinig kunstenaars die zo tot de verbeelding spreken als Jheronimus Bosch (circa 1450-1516). De familiewerkplaats aan de Markt in ’s-Hertogenbosch groeide door zijn inbreng uit tot een atelier van wereldfaam. Tijdens Bosch’ leven zijn er al indicaties van waardering voor zijn schilderijen, zelfs op het allerhoogste niveau. Tot de vroege bezitters gen geïnteresseerden van zijn werk behoorden behalve (Bossche) burgers bijzonder veel mensen aan het hof, zoals Filips de Schone, hertog van Bourgondië, diens zus Margaretha van Oostenrijk, Hendrik III van Nassau, heer van Breda en bisschop Philips van Bourgondië. Slechts een bescheiden oeuvre van enkele tientallen weken op paneel en papier van de meester is ons overgeleverd. Bosch’ naam werd vooral gevestigd door de grote navolging van zijn werk in de zestiende eeuw. De bewondering van vele kunstenaars voor Bosch lijkt met name te zijn ingegeven door de “wonderlijke fantasieën van spooksels en hellegedrochten”, zoals Karel van Mander in 1604 in zijn Schilder-Boeck scheef, die “Jeronimus Bosch in het hoofd heeft gehad en met het penseel heeft weergegeven, fantasieën die meer gruwelijk dan aangenaam waren om te zien”. Want al sinds de zestiende eeuw wordt Bosch vooral geassocieerd met helletaferelen, die zo velen fascineerden en die ook nu nog altijd weten te boeien.

Inhoud

Eric de Bruyn, “De betekenis van de gebroken kruik op Jheronimus Bosch’ Sint-Christoffel-paneel te Rotterdam”, pp. 4-9.

Arvi Wattel, “Stichtersportretten bij Jheronimus Bosch”, pp. 10-17.

Jos Koldeweij, “Hekserij met insignes: Een tekening van Jheronimus Bosch geïnterpreteerd aan de hand van volkssieraden”, pp. 18-28.

Matthijs Ilsink, “Stukjes en Beetjes: Bruegel & Bosch, Antonius & Christoffel”, pp. 30-37.

Larry Silver, “Breaking a Smile: From Bosch to Bruegel”, pp. 38-46.

Bernard Aikema, ““Stravaganze e bizarie de chimere, de mostri, e d’animali”: Over het beeld van Hieronymus Bosch in de Italiaanse kunst”, pp. 48-57.

Barbara Kruijsen, “Jeroen Bosch in negentiende-eeuwse Nederlandse collecties”, pp. 58-63.

Meer