Keulen

keulen, voorjaar 2009 | Desipientia kunsthistorisch tijdschrift

Keulen
Jaargang 16, nr. 1.

(Uitverkocht)

Keulen

Dit nummer van Desipientia is geheel gewijd aan Keulen. Jaarlijks wordt door de Nijmeegse eerstejaarsstudenten Kunstgeschiedenis tijdens een meerdaagse ecxcursie kennisgemaakt met de stad Keulen: van Romeins tot hedendaags, van architectuur tot archeologisch object, van monumentale sculptuur tot museaal kleinood. Op elk gebied van de West-Europese kunstgeschiedenis heeft “Köln” wel iets te bieden: we doorloper er de ‘Kunstgeschiedenis’ in een notendop terwijl we tijdens deze eerste grotere excursie van de opleiding oog in oog staan met originele kunstwerken, gebouwen betreden en de wordingsgeschiedenis van deze wereldstad ervaren door van monument naar monument te lopen. Het bezoek aan de Dom is telkens weer een hoogtepunt. Diep onder de funderingen zien we de restanten van Romeinse woningen aan de Rijnoever, daarboven verschillende fasen van de middeleeuwse kerk – vroegchristelijk, romans en de gigantische grondvestingen van de pijlers die de gotische en neogotische kathedraal torsen. Enkele van de vele kunstwerken passeren daarna de revue, zoals het Driekoningenschrijn (1164-ca. 1220), het ottoonse Gerokruis (ca. 970), het bronzen grafmonument van aartsbisschop en rijkskanselier Konrad van Hochstaden (na 1261), de gedetailleerde dertiende-eeuwse Dom-ontwerptekening op vele aan elkaar genaaide vellen perkament, maar ook het fel bediscussieerde veelkleurige glasraam van Gerhard Richter in de zuidtranseptgevel dat in 2007 werd onthuld. Ten slotte wordt het bezoek met de Dom afgesloten door met de bouwlift naar boven te gaan om over de negentiende-eeuwse ijzeren dakspanten boven de gewelven te lopen en de gietijzeren vieringtoren in te klimmen om vervolgens op ongeveer 70 meter hoog uit te kijken over heel Keulen.

In dit nummer gaan negen docenten, een onderzoeksmedewerker, een researchmasterstudent en de kunstcoördinator van de Radboud Universiteit en het UMC St Radboud dieper in op Keulse kunstwerken en architectuur: niet om een reisgids te maken of om een cultuurhistorisch overzicht aan te reiken, maar wel om te laten zien dat Keulen een walhalla is over de volle breedte van de kunsthistorische waaier en dat de talloze bezienswaardigheden een uitgangspunt kunnen vormen voor wat historische periode, kunstvorm en kunsthistorische methodiek betrekt sterk uiteenlopend onderzoek.

Inhoud

Jos Koldeweij & Jean-Pierre van Rijen, “Voorwoord: Keulen – Coellen”, pp. 2-3.

Kees van der Ploeg, “Romaans Keulen in de spiegel van monumentenzorg en architectuurgeschiedenis”, pp. 4-8.

Jos Koldeweij, “Zeven dames, tien heren en negen kindertjes: vijf voorstellingen van de Heilige Maagschap in het Wallraf-Richartz-Museum”, pp. 9-13.

Christel Theunissen, “Een ridder als opdrachtgever?: Het Wassenberger koorgestoelte in Museum Schnütgen”, pp. 14-16.

Bram de Klerck, “Bartolomé Esteban Murillo: De aflaat van Porziuncola”, pp. 17-20.

Sible de Blaauw, “De Kerk van de Gouden Heiligen: St. Gereon”, pp. 21-24.

Daan Van Speybroeck, “Uit mijn doen Over het Domfenster van Gerhard Richter: “Ce que je voyais je ne puis dire ce que c’était.” - Pierre Klossowski, Le bain de Diane, (1972)”, pp. 25-28.

Jean-Pierre van Rijen, “Vater Rhein”, p. 29.

Klaartje Huijben, “Hebzucht of gemeenschapszin?: Valsemunterij in het Romeinse Keulen van de derde eeuw”, pp. 30-33.

Kees Veelenturf, ”Niet geschikt voor dikke krullen: de kam van de heilige Heribert”, pp. 34-39.

Wouter Weijers, “Jasper Johns’ Untitled (1972) ontleed en verklaard”, pp. 40-43.

Jeroen Goudeau, “Rijnlandse Renaissance: de voorhal van het Keulse stadhuis”, pp. 44-48.

Volker Manuth, “‘Ick ben gheaffectionneert tot de stadt van Ceulen…’ Rubens’ Kruisiging van St. Petrus in St. Peter te Keulen”, pp. 50-52.

Meer