Rubens

Rubens | Desipientia

Rubens
Jaargang 6, nr. 2.

Uitverkocht

Rubens

“Dat grote zoonelicht aan den Nederlandsen konsthemel” was het predicaat dat Peter Paul Rubens (Siegen 1577-1640 Antwerpen) in 1718 toebedeeld kreeg door Arnold Houtbraken in diens standaardwerk De Groote Schouwburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. Hij werd omgeschreven als de “nieuwen Appeles, aan wiens helder konstvuur veelen hun lamp hebben aangestoken”. Rubens behoort zondermeer tot de beroemdste en meest invloedrijke kunstenaars die de Nederlandse kunstgeschiedenis in al haar eeuwen heeft voortgebracht. Hij stond in hoog aanzien, verwierf opdrachten vanuit heel Europa en wist zich te omringen door een groot aantal leerlingen en assistenten. Na afronding van zijn leertijd – aldus Houbraken – “bekroop hem de reislust, waar op hy zich begaf door Vrankryk naar Italien, alwaar hy enige jaren zyn verblyf hield; zomtyds schilderde en voorts zyn tyd doorbragt; om alles dat te Roomen, zoo van Beeldhouwery, als Schilderwerk uitsteekt in schoonheid van omtrek, en behandeling nauuwkeurig, en met opmerkinge te bezien”.

Juist de Italiaanse jaren van Rubens, tussen 1600 en 1608, vormen het onderwerp van deze uitgave van Desipientia – zin & waan. Het merendeel van de bijdragen vond zijn oorsprong in de doctoraalprojectgroep Rubens-tussen Antwerpen en Italië welke in het cursusjaar 1998-1999 onder leiding van dr. Bert Treffers aan de Nijmeegse universiteit plaatsvond.

Inhoud

Matthijs Ilsink en Arvi Wattel, “Rubens- tussen Antwerpen en Italië: Een inleiding”, pp. 4-6.

Bert Treffers, “Bellori’s Rubens: Gebaar, Gevoel, Beweging”, pp. 8-17.

Arvi Wattel en Carla van Wely, “Christus’ dode lichaam als toonbeeld voor de gelovige”, pp. 18-25.

Matthijs Ilsink, “Rubens en de Chiesa Nuova (1600-1608)”, pp. 26-37.

Christian Tümpel, “Het favoriete kunstwerk van…”, pp. 38-39.

Eva Kramer en Katja Schily, “De Rockox-triptiek van Rubens: De ongelovige Thomas?”, pp. 40-45.

Maarten Delbeke, “De functie van de affetti in de schilder- en beeldhouwkunst: “muta eloquentia”en “ressemblance parlante” in het Trattato della Pittura, e Scultura van Ottonelli en Da Cortona”, pp. 46-52.

Doctoraalscripties in de Kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen 1998,
p. 53.

Jaco Rutgers, “Vierhonderd jaar Van Dyck: Nieuwe toeschrijvingen, nieuwe problemen”, pp. 56-61.

Auteurregister: Desipientia – Zin & Waan, Jaargang 1-6 (1994-1999), pp. 62-65.

Meer