Tekenkunst: van Rosso tot Pieck

Tekenkunst: van Rosso tot Pieck | Desipientia

Tekenkunst: van Rosso tot Pieck
Jaargang 6, nr. 1.

Uitverkocht

Tekenkunst: van Rosso tot Pieck

Wie een kijkje in de keuken van de kunstenaar wil nemen, zo wordt onder kunstminnaars wel gezegd, dient zich te richten tot de studie van de tekenkunst. Waar kunstwerken in andere media dikwijls met gepaste distantie moeten worden benaderd, kan een tekening slechts optimaal worden bewonderd, wanneer de beschouwer een zo intiem mogelijke visuele relatie met het blad aangaat. Pas wanneer de tekening op minimale afstand en met gevoel voor detail wordt bekeken, kunnen de individuele kwaliteiten van het werk in alle facetten worden genoten.

Tekeningen vervulden binnen de kunsthistorie een veelheid aan functies. Zij vertolkten een belangrijke rol in het ontwerpproces van schilderijen, fresco’s, prenten, beeldhouwwerken en architectuur, waren van essentieel belang voor de opleiding van leerlingen en assistenten, en beantwoordden als autonome kunstwerken aan een grote vraag van verzamelaars naar artistieke producten van gerenommeerde kunstenaars.

In prentenkabinetten en particuliere verzamelingen over de hele wereld worden tegenwoordig talloze bladen van zowel moderne kunstenaars als van illustere meesters van weleer bewaard. Vervaardigd met pen, penseel, of zilverstift, in inkt, krijg of grafiet, tonen zij het handschrift van vrijwel alle belangrijke vertegenwoordigers van de kunstgeschiedenis der nieuwere tijden. Anders dan bijvoorbeeld schilderijen, of beeldhouwwerken, kunnen de fragiele tekeningen echter slechts sporadisch, onder uiterst zorgvuldige condities aan het publiek worden getoond.

Reden voor de redactie van Desipientia – zin & waan om haar lezers in deze uitgave de gelegenheid te bieden kennis te maken met enkele juwelen van de tekenkunst. In de afzonderlijke bijdragen komen de diverse facetten van de werken op papier uitvoerig aan bod.

Inhoud

Jan L. de Jong, “1530: Getekend, gegraveerd en geschilderd: Een ekphrasis van Lucianus bij Rosso Florentino, Jacob Binck en Correggio”, pp. 4-10.

Erlend de Groot, “Op expeditie met Michiel de Ruyter: Reinier Nooms in Barbarije”, pp. 11-18.

Hanneke van Asperen, “De functie van tekeningen in de werkplaats: Magnasco, Piola, Tavella en het hergebruik van motieven”, pp. 19-26.

Paulina de Nijs, “Voetvallen en kruiswegen: Religieuze monumenten buiten de kerk”, pp. 28-33.

Saskia Tatsakis, “Spaanse tekenkunst in Nederland: Een kleine maar wonderlijke verzameling”, pp. 34-40.

Rhea Blok, “Tekeningen uit het atelier van Jean Hoüel.”, pp. 42-51.

Saskia de Bodt, “Een pre-impressionist in de Hoeksche Waard: Een onbekende tekening van Johan Barthold Jongkind.”, pp. 52-57.

Niels Coppes, “Er woont een dwerg in de wilg: Een wonderbaarlijke verbeeldingskracht van Arthur Rackman en Anton Pieck”, pp. 58-67.

Jos Koldeweij, “Het Nijmeegs kunsthistorisch onderzoek 1998”, pp. 68-70.

Herman Tibosch, “Mooi”, pp. 72-73.

Meer