Theater

Theater | Desipientia kunsthistorisch tijdschrift

Theater
Jaargang 15, nr. 1.

Theater

“Het is met zo een tafereel, gelyk met een vertooning op een Theater, daar alles vertoond word of met waarlyk gebeuren; zy bedriegen en beliegen, maikander bedektelyk, daar van zy zelfs niet weeten mogen; maar de aanschouwers merken alles, ja haar gedachten naaktelyk gezien en gehoord worden. ”

De schilder en kunsttheoreticus Géard de Lairesse gaat in zijn Schilderboek uit 1707 uitvoerig in op de overeenkomsten van een toneelmatige vertoningen met een geschilderd tafereel. Daarbij merkt hij op dat de beschouwers niets ontgaat. Uit de tekst blijkt niet alleen dat beeldende kunst en theater nauw met elkaar verwant zijn in de waarneming ervan, maar ook dat er verschillen zijn tussen beide zusterkunsten. Zo constateert De Lairesse dat een schilderij “een oogenblikkelyke daad of zaak” vertoont, anders dan een toneelspel dat “in elke handeling een byzondere tyd, plaats of daad begrypt.”

Terwijl een toneelstuk de tijd krijgt om ‘haar verhaal te vertellen’, is de ruimte in de oude schilderkunst meer beperkt. Men krijgt slechts één beeld voor ogen waaruit het verhaal of de scène moet blijken. De kunstenaar heeft maar één kans om zijn publiek te bereiken. Natuurlijk zijn er uitzonderingen die de regel bevestigen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen die de regel bevestigen; reeksen schilderijen die meer ruimte geven aan de kunstenaar, zoals de zogenaamde NELRI-reeks van Cornelis Troost. Hier wordt een feestavond van een groep heren in verschillende stadia van een gezellig samenzijn tot dronkenschap afgebeeld.

In de moderne kunst zijn er minder beperkingen. Er bestaan meer mogelijkheden om de eigen gedachten en intenties van de kunstenaar te vertalen in beelden. Een zeer belangrijke factor in de toneelkunst en beeldende kunst die in de bovenstaande citaten van De Lairesse naar voren komt, maar die in deze moderne tijd wellicht nóg belangrijker is geworden – omdat er steeds bewuster mee wordt gespeeld door kunstenaars – is het publiek. Zonder publiek is er geen toneel en voor de kunst geldt het net zo.

Dit nummer van Desipientia staat in het teken van het intrigerende ‘spel’ tussen toneel of theater en kunst, publiek, woord en beeld.

Inhoud

Kees Veelenturf, “Het bal masqué van James Ensor”, pp. 4-7.

Willeon Slenders, “Satyrs: van satyrspel tot Renaissance”, pp. 10-13.

Sofie Fest, “Mariken op de Grote Markt”, pp. 14-15.

Samuel Mareel & Stijn Bussels, “Strategieën van overtuiging in het rederijkerstoneel en de beeldende kunsten in de vijftiende- en zestiende-eeuwse Nederlanden”, pp. 16-20.

Anne Mink, “En… actie! Het begrip performativiteit in de kunsthistorische literatuur”, pp. 21-26.

Volker Manuth & Marieke de Winkel, “Rembrandt een theaterganger?”, pp. 28-32.

Lieke Wouters & Menno Jonker, “Think violent thoughts: Zhana Ivanova over haar performances”, pp. 33-35.

Rebecca van Beem, “De stedenmaagd in al haar glorie”, pp. 36-39.

Inenke Pey, “Korte Nijmeegse bijdragen: In memoriam Professor dr. Singelenberg (1918-2007), kunsthistoricus”, p. 41.

Wouter Wagemakers, “Recensie “Looking Backwards, Moving Forwards” (internationaal symposium gehouden op 23 november 2007 te Nijmegen)”, pp. 42-43.

"Het Nijmeegs Kunsthistorisch Onderzoek 2007: Publicaties, Doctoraal-, Master- en Bachelorscripties: Kunstgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen", pp. 44-48.

Meer